Home
Feedback
Inhoud
Zoeken/Search

Begrippen NLP

Nieuws
Individuele coaching
Effectief Presenteren
Toekomst Vormen
Roos van Leary
Stress en Ziekteverzuim
MBTI
Trainer/coach
Communicatiemodel
Begrippen NLP
BoekenNLP
Links

Neuro Linguïstisch Programmeren een overzicht

MetaKonsult geeft hier een gedetailleerd overzicht van NLP termen.

Het overzicht is alfabetisch gerangschikt op basis van de Engelse termen. Daarvoor is gekozen vanwege de oorsprong uit het engelse taalgebied. De nederlandse termen zijn eveneens opgenomen met een verwijzing naar de engelse termen.

Om het zoeken te vereenvoudigen klik je op de eerste letter van het woord dat je zoekt. Je komt dan automatisch uit bij het eerste woord beginnend met de letter van je keuze.

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


A

·  ACCESSING CUES

Dit zijn subtiele non verbale gedragingen die aangeven welke zintuiglijk representatie systeem wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: oogpatronen, fysiologie (houding), ademhaling, stemgebruik (toon en tempo), gebaren.

·  ALSOF KADER (Engels: "AS-IF" FRAME)

Een manier om creatief problemen op te lossen door te doen alsof iets al heeft plaatsgevonden (is gebeurd) met de bedoeling om mogelijkheden te onderzoeken. Je gaat als het ware mentaal voorbij aan een blokkade/beperking naar een gewenste oplossing. Vraag: Als dit waar is, wat moet dan nog meer waar zijn? Als dit gebeurde.... Als je het wel zou kunnen wat hoe ziet dat eruit?

·  AFFILIATIEFILTER (Engels: AFFILIATING)

De behoefte van mensen om zich aan te sluiten bij anderen. Eén van de Metaprogramma’s, welke een indicatie geeft van de persoonlijke voorkeur om alleen te werken of deel uit te maken van een team. 

· AFSTEMMEN OP (Engels: PACING)  

Een methode die wordt gebruikt om snel rapport op te bouwen door het eigen gedrag af te stemmen op het gedrag van de ander. ‘Matching’ of ‘mirroring’ van gedrag. Bijvoorbeeld: Je ademt in hetzelfde ritme als de ander. Je gaat in dezelfde houding zitten als de ander.

·  ALIGNMENT (nederlands: UITLIJNEN)

Zorgen dat alle elementen uit de neurologische niveau’s (Logical levels) zodanig zijn uitgelijnd dat zij met elkaar in harmonie zijn en elkaar ondersteunen bij het bereiken van een bepaald doel.

·  AMBIGUITY

Vaag of abstract taalgebruik. Dit in tegenstelling tot specifiek taalgebruik.

·  ANALOOG (Engels: ANALOGUE)

Meerder betekenissen in zich hebbend. Dit in tegenstelling tot digitaal, wat discrete betekenissen geeft (zoals aan/uit.

Analoge informatie komt overeen met zintuiglijk waargenomen informatie (het kijken naar een schilderij). Digitale informatie is de verwoording van die zintuiglijke waarneming (beschrijving van het schilderij).

·  ANALOOG MARKEREN

Het gebruik van stemtoon, lichaamshouding, gebaren etc. om sleutelwoorden in een zin te markeren of om een specifiek gedeelte van je presentatie te markeren.

·  ANKER (Engels: ANCHOR)

Anker is een externe (doelgerichte) stimulus die een bepaalde subjectieve ervaring oproepen (stemming). Ankers treden spontaan op of worden doelbewust neergezet. Bijvoorbeeld: als de schoolbel gaat beginnen de lessen; je herkent je partner aan de geur van haar parfum; het gebruik van podium ankers door alle vragen te beantwoorden vanuit een vaste plaats; etc.

Een ‘trigger’ is een spontane stimulus die zodra deze in de omgeving wordt waargenomen een gedrag of een gedachte starten. Bijvoorbeeld : zodra het stoplicht op rood springt, stop je automatisch.

·  ANKEREN (Engels: ANCHORING)

Het proces waarin op het hoogtepunt van een interne ervaring (intense, emotionele stemming) een externe, specifieke stimulus neurologisch met elkaar worden verbonden. Telkens als de stimulus opnieuw wordt aangeboden volgt de interne ervaring automatisch. Ankeren kan visueel (gebaren), auditief (door specifieke woorden te gebruiken of door de stemtoon of door herkenningsmuziek), kinesthetisch (hand op iemands schouder) en geur (parfum of geurkaarsjes).

Criteria voor het plaatsen van een goed anker:

a) de intensiteit van de ervaring (stemming);

b) timing van het anker; tijdens de piekvan de ervaring;

c) unieke eigenschap van de stimulus (het anker);

d) exacte herhaling van de stimulus.

·  ASSOCIATIE (Engels: ASSOCIATION)

Je zit in de ervaring. Alle representatiesystemen zijn bij de herinnerde ervaring betrokken. Je kijkt door je eigen ogen, je hoort wat je toen hoorde, je voelt wat je toen voelde. Dit noemen we geassocieerd.

·  ATTITUDE

Attitudes zijn gebaseerd op groepen van overtuigingen. Attitudes zijn het totaal aan waarden en overtuigingen met betrekking tot een bepaald onderwerp. Onze attitudes zijn de keuzen die wij hebben gemaakt.

·  AUDITIEF (Engels: AUDITORY)

Betrekking hebbende op geluid, luisteren, horen. Een van de vijf primaire weergave systemen: visueel (beelden), auditief (geluiden), kinesthetisch (gevoelens), olfactoir (geur) en gustatoir (smaak).

·  AWAY FROM

Een meta programma waarbij een persoon een voorkeur heeft in een tegengestelde gaat dan hij/zij zou willen. Voorbeeld: Ik wil geen werk tussen 9 en 5.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


B

·  BACKTRACK-FRAME  

Je herhaalt in het kort de informatie die je tot dat punt hebt, of je vat samen, daarbij gebruik je de sleutelwoorden van de desbetreffende persoon in een specifieke tonaliteit. Het helpt je om rapport op te bouwen. Het helpt je in vergaderingen om te zien of de deelnemers allemaal op hetzelfde punt zijn aangeland.

·  B.A.G.E.L. MODEL

Het model is ontwikkeld door Robert Dilts. Het verschaft een set van micro non verbale gedragingen die kunnen worden gebruikt bij het identificeren van bijvoorbeeld strategieën. De waargenomen fysiologie geeft een indicatie voor zijn interne toestand.

B ody posture (houding)                     lichaamshouding, spierspanning

A ccessing cues (non-verbaal)          ademhaling, stemgebruik

G estures                                              gebaren

E ye movements                                  oogbewegingen

L anguage patterns                             taal, predikaten  

·  BELIEF (Nederlands: OVERTUIGING)

Generalisatie over

(1) oorzaak,

(2) betekenissen, en

(3) grenzen in

(a) de wereld om ons heen,

(b) ons gedrag,

(c) onze capaciteiten, en

(d) onze identiteit.  

Overtuigingen zijn beweringen over jezelf, over andere mensen, over de wereld om je heen. Het zijn beweringen die voor jezelf waarheid bevatten. Je verbindt er gevoelens aan, omdat deze overtuigingen belangrijk voor je zijn. Realiseer je echter dat overtuigingen het tegenovergestelde zijn van feiten. Feiten zijn meetbaar en waarneembaar. Een overtuiging is een innerlijk zeker weten en heeft niets te maken met de realiteit. Een overtuiging wordt meestal gevormd door een veralgemenisering van je ervaringen. Overtuigingen zijn meer bewust aanwezig dan waarden. Elke overtuiging is op de een of andere manier gekoppeld aan een bepaalde waarde, die waarschijnlijk onbewust is.  

Structuur van een overtuiging en hoe hangen ze samen. Er is :

1.      een betekenis (conclusie), die gebaseerd is op

2.      een verschijnsel (bewijs), die zijn belangrijkheid ontleent aan

3.      een criterium (waarde).

·  BETEKENIS REFRAME (Engels: CONTENT REFRAMING)

In een betekenis reframe vervang je de oorspronkelijke betekenis uit de structuur van de overtuiging door een nieuwe betekenis.

·  BEWUST ONBEKWAAM (Engels: CONSCIOUS INCOMPETENCE)

De tweede fase uit de leer cyclus. Hierbij zijn we bewust van de nieuwe taak die we uitoefenen terwijl de resultaten wisselend succes kennen. In deze fase is het leervermogen het grootst.

·  BEWUST BEKWAAM (Engels: CONSCIOUS COMPETENCE)

De derde fase uit de leer cyclus. Hierbij zijn we nog steeds volledig bewust van de activiteiten die we uitvoeren waarbij de resultaten veel meer succes kennen dan in fase 2. De vaardigheid is nog niet volledig geïntegreerd.  

 ( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


C

·CALIBREREN, IJKEN (Engels: CALIBRATION  

Het aflezen van iemands interne toestand (stemming) uit zijn non verbale reacties (op grond van het feit dat je dezelfde non verbale reacties meermalen gelijktijdig met die innerlijke ervaring hebt waargenomen). Het herkennen van welke innerlijke processen deze non verbale reacties een teken zijn. Het is een belangrijke eerste stap in NLP processen, daarbij kalibreer je de non verbale reacties die horen bij de probleem situatie. Daarbij let je op kleur van de huid, ademhaling, spanning van de huid, grootte van de onderlip, ogen. Het geeft een referentie waaraan het succes van de interventie kan worden afgelezen.

·  CALIBRATED LOOP

Onbewuste communicatie patronen waarbij het gedrag van een persoon een specifiek gedrag bij een ander persoon oproept in een doorgaande interactie 2

·  CHAINING ANCHORS (Nederlands: Anker keten)

Een serie ankers die in een vaststaande volgorde worden geactiveerd, zodat in een aantal stappen van een huidige ervaring (stemming) naar een gewenste ervaring (stemming) wordt toegewerkt. Het is een techniek die kan worden gebruikt als de gewenste, vermogende stemming aanzienlijk afwijkt van de huidige stemming.

·  CHANGE PERSONAL HISTORY (nederlands: het veranderen van je persoonlijke geschiedenis)

Een NLP anker techniek waarbij relevante ervaringen in het verleden met behulp van je huidige hulpbronnen kunnen worden herbeleefd met als doel deze ervaring te transformeren in een herinnering met positieve invloeden. Een manier om de emotionele impact van een herinnering te veranderen. De negatieve ervaring verandert en/of je kunt nieuwe conclusies verbinden aan de ervaring uit het verleden.

·  CHUNKING

Het kiezen van een hoger of lager abstractieniveau. Informatie wordt in globaler of juist in kleinere stukjes opgedeeld. Er zijn drie manieren van ‘chunking’:

·        ‘chunking down’: Naar een lager abstractie niveau, waarin meer specifieke of concrete informatie wordt gegeven. Voorbeeld: Hondà Duitse Herder.

·        ‘chunking up’: Naar een hoger abstractie niveau, waarin meer abstracte, globale informatie wordt gegeven. Voorbeeld: Hondà Dier.

·        ‘chunking laterally’: Op hetzelfde abstractie niveau, waarbij zijwaarts wordt gezocht naar voorbeelden worden gezocht die dezelfde informatie geeft. Voorbeeld: Kat (hond en kat zijn beide voorbeelden van dieren).

·  CIRCLE OF EXCELLENCE

Techniek waarbij hulpbronnen (zoals in de techniek van een gestapeld anker) worden geankerd aan een ingebeelde cirkel op de grond. Bij presentaties kunnen deze cirkels nuttig zijn om in probleemsituaties tot nieuwe keuzemogelijkheden te komen.

·  COLLAPSING ANCHORS (Nederlands: integreren van ankers)

Techniek voor het neutraliseren van negatieve gevoelens. Daarbij wordt het ene anker gekoppeld aan het negatieve gevoel en het andere aan het tegenovergestelde gevoel. Vervolgens activeer je beide ankers tegelijkertijd. De cliënt ervaart verwarring waarbij beide emoties door elkaar heen lopen; dit verdwijnt snel waarbij de hulpbron emotie de overhand krijgt. De positieve emotie wint, omdat mensen als ze de keus krijgen tussen twee emoties onbewust liever voor de prettige emotie kiezen.

·   COMMUNICATIEMODEL

Beschrijving van de structuur van de ervaring. Het model laat zien dat er buiten ons allerlei gebeurtenissen plaatsvinden die wij waarnemen via onze zintuigen. Vanaf het moment dat die externe prikkel (een beeld [visueel], een geluid of een woord [auditief], een aanraking [kinesthetisch], een geur [olfactoir], een smaak [gustatoir]) wordt waargenomen, beginnen onze hersenen een proces van verwerking. Daarbij passeert die informatie een aantal filters, die onder andere te maken hebben met de wijze waarop wij een interne voorstelling hebben gevormd van de wereld om ons heen (iemands wereldbeeld). Kortom: die te maken hebben met de wijze waarop wij zijn gevormd.

·   CONGRUENTIE (Engels: CONGRUENCE)

Letterlijk overeenstemming. Toestand waarbij al je gedeelten (warden, overtuigingen, gedrag) het eens zijn met de boodschap. Wat je zegt stemt volledig overeen met je fysiologie, stemtoon. Tegengestelde: incongruentie.

·  CONTEXT

De context is de omgeving waarin zich een specifieke situatie voordoet. De context is vaak van belang hoe een specifieke ervaring of gebeurtenis wordt geïnterpreteerd.

·  CRITERIUM (Engels: CRITERIA)

De (op onbewust niveau dieper liggende) waarden die iemand gebruikt om beslissingen te kunnen nemen of een oordeel te kunnen geven over de dingen om hem heen. Een criterium geeft aan wat in een bepaalde context belangrijk is. Criterium kun je achterhalen door bijvoorbeeld te vragen: Waarom is het belangrijk dat…..?  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


D

· DERDE POSITIE (Engels: THIRD POSITION)

Waarnemingspositie waarin je gedissocieerd van jezelf en de ander de interactie waarneemt tussen jezelf en de ander.

·  DELETIE (Engels: DELETION)

Eén van de drie universele modelleringprincipes (weglating, generalisatie en vervorming) waarmee het wereldmodel wordt gevormd en instant gehouden. In het model dat wij van de wereld om ons heen maken zijn delen weggelaten. Wij verbinden ons aan een interne voorstelling die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Delen uit de dieptestructuur zijn weggelaten

·  DIEPTESTRUCTUUR (Engels: DEEP STRUCTURE)

Taal dient als weergave systeem voor onze ervaringen. Wanneer mensen hun weergave, hun ervaringen van de wereld willen meedelen, vormen ze een volledige linguïstische weergave van hun ervaring. Dit wordt de dieptestructuur genoemd. Wanneer ze beginnen te spreken maken ze een serie keuzen (transformaties) aangaande de vorm waarin ze hun ervaring zullen meedelen. Deze output in de vorm van gesproken woorden noemen wij de oppervlaktestructuur.

·  DIGITAAL (Engels: DIGITAL)

Digitaal geeft discrete betekenissen (zoals aan/uit, ja/nee).Dit in tegenstelling tot analoog dat meerder betekenissen in zich heeft. Analoge informatie komt overeen met zintuiglijk waargenomen informatie (het kijken naar een schilderij). Digitale informatie is de verwoording van die zintuiglijke waarneming (beschrijving van het schilderij).

·  DISSOCIATIE (Engels: DISSOCIATION)

Je ervaart een gebeurtenis van een afstand. Zoals in een herinnering. Bijvoorbeeld: je ziet jezelf in die vakantie de dingen doen die je toen deed, je hoort jezelf denken.

·  DOEL TOESTAND (Engels: OUTCOME STATE)

Doelen of gewenste toestand of gewenste ervaring die een persoon of organisatie wenst te bereiken.

·  DOWN-TIME

Toestand waarbij je aandacht naar binnen is gericht. Je registreert niet wat er om je heen gebeurt.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


E

·  ECOLOGIE (Engels: ECOLOGY)  

Ecologie is de leer van de consequenties. Bij het controleren van de verandering, het nieuwe doel worden zodanige vragen gesteld dat wordt achterhaald (duidelijk gemaakt) dat de verandering geen nieuwe of ander problemen oproept bij de cliënt of in de leefwereld van de cliënt. Ecologie vragen zijn:

·        Wat zal er gebeuren als je het krijgt?

·        Wat zal er niet gebeuren als je het krijgt?

·        Wat zal er gebeuren als je het niet krijgt|?

·        Wat zal er niet gebeuren als je het niet krijgt

·  ELICITEREN (Engels: ELICITATION)

Het ontdekken en eruit halen van bepaalde interne processen.

·  EYE ACCESSING CUES

Oogbewegingen in een bepaalde richting die een indicatie zijn voor visueel, auditief of kinesthetisch verwerken van informatie. Oftewel welk zintuiglijk weergave systeem wordt op dat moment gebruikt. Denk daarbij om individuele verschillen

Vh – Visuele herinnering: (ogen rechts naar boven) beelden van dingen die je eerder hebt gezien. Vraag die gewoonlijk deze oogbeweging eliciteert: “Welke kleur ogen heft je moeder? Hoeveel ramen had het laatste huis waar je woonde?

Vc – Visuele constructie: (ogen links naar boven) beelden van dingen die je nooit eerder hebt gezien of het zien van dingen anders dan ze in werkelijkheid zijn. Vraag: “Hoe zou je kamer eruit zien wanneer die blauw was? Hoe ziet een olifant eruit met gele stippen?"

Ah – Auditieve herinnering: (ogen horizontaal rechts opzij) het herinneren van geluiden of stemmen die je eerder hebt gehoord. Vraag: “Wat is het geluid van het burger alarm? Kun je de stem van je moeder herinneren?”

Ac – Auditieve constructie: (ogen horizontal naar links) geluiden die je nooit eerder hebt gehoord. Vraag: Hoe zou ik klinken als ik de stem van Donald Duck had?"

Ad – Auditief digitaal: (ogen rechts naar beneden) interne dialoog, in onszelf praten. Vraag: "kun je de trouwbelofte voor jezelf opzeggen? Wat denk je, ga je het doen?"

K - Kinesthetisch (ogen links naar beneden) gevoelens, emoties, gevoel van aanraking. Vraag: "Hoe voelt het om gelukkig te zijn? Hoe voelt het wanneer je een nat tapijt aanraakt? Stel je het gevoel van smeltende sneeuwballen voor in je handen?"  

 ( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


F

·  FRAME

‘Framing’ in NLP verwijst naar de manier waarop we zaken in verschillende contexten plaatsen zodat ze verschillende betekenissen krijgen. Zoals: Outcome Frame (resultaat kader), Ecology-frame (ecologie kader), Backtrack Frame , Evidence-frame (bewijs kader), As If-frame (als dit ...-kader), Rapport frame, etc.

·  FUTURE PACING (Nederlands: AFSTEMMEN OP DE TOEKOMST)

Het proces waarin mentaal een voorstelling wordt gemaakt van een toekomstige situatie waarin de zojuist opgetreden verandering wordt getoetst. Doel is te ervaren en zeker te stellen dat het gewenste gedrag in de toekomst automatisch en op een natuurlijke manier zal plaats vinden.

· FYSIOLOGIE (Engels: PHYSIOLOGY)

Non verbale reacties die samenvallen met een innerlijk ervaren toestand of met een interne representatie.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


G

·  GEDRAG (Engels: BEHAVIOUR) 

Die specifieke fysieke acties en reacties waarmee wij op andere mensen en op de omgeving om ons heen inspelen.

·  GEDEELTE ZIE PARTS

·  GENERALISATIE (Engels: GENERALIZATION)  

Eén van de drie universele modelleringsprincipes (weglating, generalisatie en vervorming) waarmee het wereldmodel wordt gevormd en instant gehouden. Voorbeeld: Men zegt... Hierin is men niet gespecificeerd, het is dus een generalisatie van een concreet individu.

·  GESTALT

Een verzameling herinneringen die met elkaar zijn verbonden of die zijn gegroepeerd rond een bepaald subject.

·GESTAPELD ANKER (Engels:  STACKING ANCHORS)

Een gestapeld anker is het herhaald ankeren (op dezelfde plaats) van verschillende herinneringen. Het heeft een versterkend effect, het leidt tot een krachtig anker.

  GUSTATOIR (Engels: GUSTATORY)

Betrekking hebbende op smaak en proeven. 

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


H

·  HERKADEREN (Engels: REFRAMING)

Een NLP proces waarbij de betekenis van een verschijnsel verandert door het in een ander kader te plaatsen. Als het problematisch gedrag is gescheiden van de positieve intentie van het gedeelte dat verantwoordelijk is voor dat gedrag kan met behulp van herkaderen het gedeelte nieuw gedrag worden aangeboden dat dezelfde hoogste intentie bevredigt zonder de problematisch bijproducten (zonder problematisch gedrag).  

·  HIERARCHIE (Engels: HIERARCHY)  

Een hiërarchie van criteria, waarbij elk hoger gelegen criterium meer invloed heeft op gedrag en ervaringen dan de daaronder gelegen criteria.  

·  HUIDIGE TOESTAND (Engels: PRESENT STATE)  

De subjectieve ervaring vaneen persoon op dit moment.   2

·  HULPBRON (Engels: RESOURCE)  

Een interne weergave van datgene wat het probleem oplost. Vaak maak je gebruik van interne hulpbronnen. Soms ook van gecreëerde externe hulpbronnen die alles bevatten om het probleem te kunnen overwinnen (suggestie).  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


I

·  IDENTITEIT (Engels: IDENTITY)

Wie zijn wij? Onze identiteit stuurt onze overtuigingen, capaciteiten en gedrag. Eén van de neurologische niveau’s. 

·  INHOUD (Engels: CONTENT)

Inhoud is dat wat je zegt en de betekenis daarvan. Proces is los van de inhoud de manier waarop iemand informatie verwerkt. Wat is zijn interne programma (strategie). Proces is de structuur, de ordening van de elementen en hun onderlinge relaties.

 ·  INCONGRUENT(IE) (Engels: INCONGRUENCE)

Toestand waarin de non verbale communicatie niet overeenstemt met de boodschap. Niet volledig verbonden met gewenste doelen, het interne conflict zal tot uitdrukking komen in iemands gedrag. Voorbeeld: Je zegt:’Ik ben blij’ en je kijkt daarbij verdrietig. Tegenovergestelde van congruent(ie).

·  INGEBEDDE OPDRACHTEN (Engels: EMBEDDED COMMANDS)

Het bedekt aanbieden van opdrachten die zorgt voor een actieve deelname van de cliënt in het proces op het onbewuste gedragsniveau, zonder dat weerstand wordt opgeroepen..

·  INSTALLEREN (Engels: INSTALLATION)

Het proces van het verwerven van een nieuwe strategie of gedrag. Met alles wat je zegt kun je onbewust iets bij een andere installeren. Communiceer daarom zorgvuldig. 

·  INTEGRITEIT (Engels: INTEGRITY

Congruentie en eerlijkheid. Persoonlijke integriteit en ethisch handelen zijn noodzakelijk bij toepassing van NLP technieken in de cliënt situatie.

·  INTENTIE (Engels: INTENTION)

Het doel van bepaald gedrag. Vaak wordt gezegd: Met een positieve bedoeling (intentie), maar niet met het gewenste resultaat.

·  INTERNE REPRESENTATIE (Engels: INTERNAL REPRESENTATION)

De manier waarop wij onze herinneringen coderen. Het patroon van informatie die wij creëren en opslaan uit combinaties van beelden (V), geluiden (A), gevoelens (K), geuren (G) en smaken (O).  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


J

K

·  KINESTHETISCH (Engels: KINAESTHETIC)

Betrekking hebbende op gevoel, beweging.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


L

·  LEIDEN (Engels: LEADING)

Het veranderen van je eigen gedrag terwijl je voldoende rapport hebt opgebouwd met de andere persoon om jou te gaan volgen (in dat gedrag). ‘Pacing’ en ‘leading’ is belangrijk onderdeel van NLP. Je gaat eerst de wereld van de cliënt binnen en leidt hem naar conclusies die hij zichzelf kan toe eigenen om de gewenste verandering te bereiken.

·  LEAD SYSTEM

Het zintuiglijk representatiesysteem (visueel, auditief, kinesthetisch) waarmee intern opgeslagen informatie wordt benaderd (zoeken). Het ‘leadsystem’ is de sleutel om de toegang te krijgen tot opgeslagen informatie. Het is herkenbaar aan oogbewegingen. Sequentie en positie geven informatie over innerlijke processen.

·  LEERPROCES, LEERCURVE (Engels: LEARNING CYCLE)

Het 4-staps leerproces:

1. Onbewust onbekwaam

2. Bewust onbekwaam

3. Bewust bekwaam

4. Onbewust bekwaam

·  LEERSTIJLEN (Engels: LEARNING STYLES)

Verschillende manieren van leren, waarbij iedereen zijn persoonlijke voorkeur heeft. Sommige mensen willen dingen zien, anderen willen het graag zelf lezen, en weer anderen leren het beste door dingen te horen of te voelen. Nederlands spreekwoord: ‘Wie niet horen wil, moet maar voelen”. 

·  LOGISCHE NIVEAUS (Engels: LOGICAL LEVELS)

Robert Dilts heeft het model van de Logische niveaus ontwikkeld op grond van Gregory Bateson’s “Steps into an Ecology of Mind.” Het is een interne hiërarchie waarbij elk hoger niveau psychologisch gezien een lager niveau omvat Het hogere niveau heeft ook veel meer impact. In volgorde (van boven naar beneden) worden de volgende niveaus gehanteerd:

(1) spiritualiteit, zingeving, bezieling

(2) identiteit, missie

(3) overtuigingen en waarden, motivatie, permissie

(4) capaciteiten, vermogens, richting

(5) gedrag, actie

(6) omgeving, reactie.

Gregory Bateson beschrijft de logische niveaus als volgt:

·        Een hoger logisch niveau organiseert de informatie op onderliggende niveaus;

·        Verandering op een lager niveau kan verandering op een hoger niveau bewerkstelligen;

·        Verandering op een hoger niveau zal verandering op alle lagere niveaus teweeg brengen.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


M

·  MATCHING

Het overnemen (delen) van iemands gedrag met als doel het tot stand brengen van rapport

·  META

Afgeleid uit het Grieks. Het betekent “boven”. Anders gezegd: het geheel omvattend. Zie ook Metapositie, Metamodel, Metaprogramma.

·  META MODEL

Een model ontwikkelt door John Grinder en Richard Bandler waarin een verzameling taalpatronen wordt geïdentificeerd (met bijbehorende vragen) die problematisch of dubbelzinnig kunnen zijn. Anders gezegd: Het Meta-Model is bedoeld om indien de cliënt de oppervlakte structuur (gesproken taal) aanbied waarin het een en ander is weggelaten door middel van vraagstellingen de ontbrekende delen uit de dieptestructuur (de oorspronkelijke ervaring) te achterhalen. Specifieke Meta Model responsen kun je gebruiken om het weggelaten materiaal terug te vinden en om de spreker te helpen opnieuw met zijn dieptestructuur contact te maken.  Het Meta Model is gebaseerd op transformationele taalkunde en identificeert vervormingen, generalisaties en weglatingen die de oorspronkelijke betekenis verbergen. De model vragen worden gebruikt om de betekenis van de oorspronkelijke ervaring te achterhalen. Het Meta Model verbindt taal met de ervaringen, en kan worden gebruikt voor het verzamelen van informatie, het verhelderen van betekenissen, het identificeren van beperkingen en het vergroten van iemands keuzemogelijkheden.

·  METAPROGRAMMA (Engels: META PROGRAM)

Metaprogramma is één van de interne programma’s of filters die je onbewust gebruikt om te bepalen wat je belangrijk vindt, waar je aandacht aan zult geven. Ze zijn meer abstract dan strategieën en criteria. Ze geven aan hoe je de ervaringen sorteert, hoe je de aandacht richt, hoe je zaken/mensen benadert, in welke brokstukken je dingen ervaart.

·  METAPOSITIE (Engels: META POSITION)

Het denkproces over een situatie als iets anders. Je kijkt en luistert naar jezelf terwijl je waarneemt hoe de andere jij reageert in het hier en nu. Je bent als het ware gedissocieerd van jezelf.

·  METAFOOR (Engels: METAPHOR)

Een metafoor is een analoog verhaal met een oplossing, waarbinnen de persoon zich identificeert (ontleent aan Wibe Veenbaas). Een metafoor is een overdrachtelijke uitdrukkingsvorm waarbij een boodschap wordt verpakt in een verhaal of anekdote. Het bewustzijn pikt de boodschap niet op, maar het onbewuste wordt op het juiste spoor gezet.

·  MILTON MODEL

De inverse van het Meta Model, waarin juist algemene formuleringen (gebaseerd op indirecte suggestie en vooronderstellingen) worden gebruikt, die de ander zelf met ervaringen invult. Er wordt een proces gestart van transderivationeel zoeken. Het model is gebaseerd op taalgebruik door Milton H. Erikson MD.

·  MIRRORING

Het gedrag van de ander nadoen in spiegelbeeld. Het spiegelen van de ander zijn houding, gebaren, gezichtsuitdrukking met de bedoeling het opbouwen van rapport.

·  MISMATCHING

Het bewust gebruiken van andere gedragspatronen in relatie tot een ander persoon ten einde het rapport te verbreken met als doel een heroriëntering. Tegengesteld aan: ‘matching’.

·  MODELLEREN (Engels: MODELLING)

Het proces van observeren, in kaart brengen van succesvol gedrag (succesvolle strategieën) van andere mensen en het vervolgens na de verschillen (contrast frame) te hebben vastgesteld het installeren van nieuw gedrag (strategie). Eigenlijk is modelleren het in kaart brengen van vaardigheden, die integreren bij jezelf om ze vervolgens aan anderen te kunnen leren. Modelleren is de basis van NLP. Zonder modelleren bestond NLP niet.

 ( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


N

·  NEURO-LINGUISTISCH PROGRAMMEREN (NLP)

Een serie technieken en vaardigheden ontwikkeld op basis van modelleren door John Grinder en Richard Bandler in 1975. Het is ontleend aan Alfred Korzybski, die ooit heeft gezegd: ‘Wat zou het mooi zijn als er iemand zou komen die de mens beschrijft in termen van Structuur, Proces en Context.

NLP wordt wel gedefinieerd als:

1.      de studie van de structuur van de subjectieve ervaring,

2.      modelleren,

3.      een communicatie technologie.

NLP onderzoekt de patronen of programma’s die ten grondslag liggen aan onze communicatie. Daarbij wordt aandacht geschonken aan het zenuwstelsel (neuro) door middel van zintuigen worden onze ervaringen verwerkt, aan taal Linguïstisch) en andere niet verbale communicatie waardoor onze interne voorstelling wordt gecodeerd.

·  NOMINALISATIE

Is het taalkundig proces van het omzetten van een proceswoord of werkwoord in een gebeurtenis of een ding. Bijvoorbeeld: De beslissing is gevallen. Beslissing is de nominalisatie. Metamodel vraag: Hoe hebben jullie de beslissing genomen?.

·  NON VERBAAL (Engels: NON-VERBAL)

Zonder woorden communiceren.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


O

·  OLFACTOIR (Engels: OLFACTURY)

Betrekking hebbende op geur en ruiken.

·  ONBEWUST ONBEKWAAM (Engels: UNCONSCIOUS INCOMPETENCE)

De eerste fase uit de leer cyclus. Hierbij zijn we onbewust van de taak die we uitoefenen terwijl de resultaten wisselend succes kennen. In deze fase weten we niet wat we aan het doen zijn.

·  ONBEWUST BEKWAAM (Engels: UNCONSCIOUS COMPETENCE)

De vierde fase uit de leer cyclus. Hierbij zijn we volledig onbewust van de activiteiten die we uitvoeren waarbij de resultaten veel meer succes kennen dan in fase 2. De vaardigheid is volledig geïntegreerd.

·  OOGBEWEGINGEN (ZIE EYE PATTERNS)

·  OPEN FRAME

Een kans voor iedereen om commentaar naar voren te brengen of vragen te stellen over het aangeboden materiaal tot aan dat moment. Vaak ook een uitnodiging om voor de groep iets te vertellen van iets wat je hebt meegemaakt met betrekking tot het materiaal.

·  OPPERVLAKTE STRUCTUUR (Engels: SURFACE STRUCTURE)

De gesproken woorden waarmee een beschrijving wordt gegeven van een interne representatie die gebaseerd is op zintuiglijke waarneming. De oppervlakte structuur is de weergave. Zie ook dieptestructuur.

·  OUT FRAMING

Het zetten van een kader waardoor bepaalde mogelijke bezwaren worden uitgesloten. “Ik zal elke vraag beantwoorden, behalve vragen over uw zitplaats.” Dit is een belangrijk concept in vergaderingen en presentaties.

·  OVERLAP

Het gebruiken van een voorkeur representatiesysteem om vervolgens toegang te krijgen tot andere representatiesystemen. Bijvoorbeeld: je ziet jezelf op het strand en je hoort vervolgens de geluiden van de zee en de vogels om daarna te voelen hoe je voeten het zand raken of omspoelt worden door het water.

·  OVERTUIGING (ZIE BELIEFS)

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


P

·  PACING ZIE AFSTEMMEN

·  PARTS  (Nederlands: GEDEELTE)

Het op metaforische wijze aanduiden van onafhankelijke programma’s, strategieën of gedrag. Het zien van de mens als het geheel van meerdere subpersoonlijkheden met ieder een eigen wereldmodel en eigen intentie. In het veranderingswerk zoek je de hoogste intentie die de delen verbindt en laat ze vervolgens integreren. Als mens heb je geen delen nodig om te kunnen functioneren. Vaak wil je iets gaan doen, maar ‘iets’ houdt je tegen. Misschien een gedeelte dat je wil beschermen om niet af te gaan bij een presentatie.

·  PATROON INTERUPTIE (Engels: PATTERN INTERRUPT)

Het doorbreken van een gedragspatroon voordat deze is gecompleteerd. Bijvoorbeeld je steekt je hand uit om de ander te begroeten, de nader doet dat ook, maar voordat het komt tot daadwerkelijk handen schudden grijp je zijn pols.

·  PRESENT STATE ZIE HUIDIGE SITUATIE

·  PROCESS AND CONTENT 2

Content is wat je doet, terwijl proces is hoe je het doet. Wat je zegt is de inhoud, hoe je het zegt is het proces.

·PREDIKATEN (Engels:  PREDICATES

Het zijn proces woorden, zoals werkwoorden, bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, die iemand gebruikt om het onderwerp te beschrijven. In NLP worden predikaten vaak gebruikt om te achterhalen welk representatiesysteem iemand op zeker moment gebruikt. Daarnaast geeft het gebruik van predikaten de mogelijkheid tot het opbouwen van rapport. Voorbeelden: Er ging mij een lichtje branden. Toen ging er een belletje rinkelen. Ik voelde wat er stond te gebeuren.

··  PRIMAIR REPRESENTATIE SYSTEEM

Het voorkeur systeem om intern opgeslagen informatie naar buiten te brengen. Dit komt vaak tot uitdrukking in de woordkeuze, herkenbaar aan de predikaten. Verder is het systeem herkenbaar aan de fysiologie en tonaliteit.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


Q

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


R

·  RAPPORT

Het tot stand brengen van vertrouwen, harmonie en samenwerking in een (therapeutische) relatie. Het is het vermogen je af te stemmen op het wereldmodel van de ander. Als twee mensen rapport hebben wordt hun relatie gekenmerkt door 1) vertrouwen, 2) gevoelsmatige betrokkenheid, 3) bereidheid om elkaar te volgen, 4) respect voor elkaars wereldmodel, 5) sterk op elkaar gerichte aandacht.Rapport is de basis voor doeltreffende communicatie. Er zijn vier indicatoren voor rapport:

1.      goed gevoel (K): als jij dat voelt, voelt de ander dat ook;

2.      verandering gelaatskleur (V): donkerder (niet blozen);

3.      iets vertrouwd zeggen (At);

4.      leiden: kan met een bepaald doel.

De eerste drie zijn zintuiglijke waarnemingen, de laatste ontstaat als gevolg van de eerste drie. Dus: van afstemmen naar leiden.            

·  REFRAMING zie HERKADEREN

·  REPRESENTATIE SYSTEEM (Engels: REPRESENTATIONAL SYSTEMS)

De vijf zintuigen: zien, horen, voelen (aanraken), proeven, ruiken.

·  R.O.L.E. MODEL

Het model is ontwikkeld door Robert Dilts. Doel is een duidelijk beeld te krijgen van de stategie van iemand. Wat is de denkwijze van iemand? Iemand die gemotiveerd is kan de strategie van de ander overnemen door het model te kopieren tot zijn strategie.

R EPRESENTATIONAL SYSTEM - Visueel, Auditief, Kinesthetisch, Taalpatronen, Sub-modaliteiten

O RIENTATION – Extern of intern gericht, herinnerd of geconstrueerd

L INKS – Verband houdend met ander stappen. Sequentieel of digitaal, simultaan of analoog

E FFECT – Doel: toegang verkrijgen, evalueren, organiseren of utiliseren.

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


S

·  SATIR-ROLLEN

Ook wel Satir-posities genoemd. Dit zijn houdingen of communicatie patronen die mensen aannemen. Ze zijn geformuleerd door Verginia Satir. Van nature heb je vaak voorkeur voor een van de vijf posities. In presentaties kan het nuttig zijn de posities te wisselen afhankelijk van wat je op dat moment communiceert. De Satir-posities zijn:

1.      Verzoener (Engels Placator);

2.      Beschuldiger (Engels Blamer);

3.      Beredeneerder (Engels Computeror);

4.      Afleider (Engels Distractor).  

·  S.C.O.R.E. MODEL

Dit model is ontwikkeld door Robert Dilts en Todd Epstin. Het is een model voor het verzamelen van relevante informatie noodzakelijk voor het effectief organiseren van informatie met betrekking tot veranderingswerk De volgende vijf elementen zijn nodig:

S YMPTOOM -. De uiterlijk en vaak bewuste kenmerken van de probleem situatie

C AUSE(S) (Oorzaak) – onderliggende elementen die de oorzaak vormen

O UTCOME (Doel) -. Het beoogde doel, de gewenste ervaring

R ESOURCES (Hulpbron). - Elementen nodig om het doel te bereiken en in stand te houden

E FFECT -. Het resultaat op lange termijn  

  SLEUTELS VOOR EEN HAALBARE UITKOMST  

Dit betreft een aantal stappen die je minimaal kunt zetten voor het bereiken van je doelen. Stel jezelf de vraag: ‘Hoe komt het dat ik dit nu nog niet heb?’

1.      positief uitgedrukt: Wat wil ik precies bereiken?;

2.      geef de huidige situatie aan, geassocieerd; 2

3.      geef het resultaat aan. Gedissocieerd, in de toekomst, maak het dringend en aantrekkelijk. Wat zul je zien, horen, voelen wanneer je dit hebt?;

4.      geef de bewijsprocedure aan: Hoe zul je weten dat je het hebt?

5.      is het wenselijk gezien de omstandigheden?

6.      is he top eigen initiatief ondernomen en gehandhaafd?

7.      Is het in de juiste context geplaatst? Waar, wanneer, hoe en met wie?

8.      Welke middelen zijn ervoor nodig? Doe alsof, ken je iemand die dit wel heeft gedaan?

9.      Is het ecologisch?

·  SLIGHT-OF-MOUTH PATTERN

Ontwikkeld door Robert Dilts door het modelleren van de door Richard Bandler gebruikte taalpatronen. Het zijn conversationele patronen die zijn gebaseerd op een complexe equivalentie of oorzaak-gevolg bewering met als doel het veranderen van een overtuiging.

·  SPIEGELEN (ZIE MIRRORING)

·  STIMULUS RESPONSE

Een associatie tussen een ervaring en opvolgende gebeurtenis (de zg. reactie). Een natuurlijk leerproces die werd gedemonstreerd door Ivan P. Pavlov toen hij het rinkelen van een bel verbond met de speekselvorming bij honden. Hier ligt de basis voor ankeren.

·  STRATEGIE (Engels: STRATEGY)

Een opeenvolging van stappen die tot een bepaald resultaat leidt. Strategie is iedere interne en externe set van ervaringen die constant een specifieke uitkomst oplevert. Een strategie bestaat uit een opeenvolging (syntaxis) van representaties die leiden tot een specifiek resultaat In NLP is het belangrijkste aspect van een strategie de representaties die worden gebruikt om de strategie tot stand te brengen. Bijvoorbeeld een koopstrategie: V->K->Ad. Dus ik zie iets, krijg daarbij een bepaald gevoel en beslis tot kopen.  

·  STRUCTUUR (Engels: STRUCTURE)  

Structuur is de ordening van de elementen en hun onderlinge relaties. Structuur staat los van de inhoud. Het is de manier waarop iemand informatie verwerkt. Wat is zijn interne programma (strategie). Inhoud is dat wat je zegt en de betekenis daarvan.

·  SUB-MODALITEITEN (Engels: SUB-MODALITIES)

Sub-modaliteiten geven betekenis aan de subjectieve ervaring. Sub-modaliteiten zijn de kleinste bouwstenen waaruit de structuur van de subjectieve ervaring is opgebouwd. Bijvoorbeeld visuele sub-modaliteiten zijn kleur, vorm, beweging, helderheid, diepte, etc. Auditieve sub-modaliteiten zijn volume, toonhoogte, tempo, etc. Kinesthetische sub-modaliteiten zijn druk, temperatuur, locatie, etc

·  SWISH PATTERN

Een veranderingspatroon op basis van sub-modaliteiten waarbij een huidige (negatief ervaren) situatie wordt vervangen door een gewenste (positief ervaren) situatie. Dit doen wij door het met een ‘Swish’ het ene beeld te laten vervagen naar de horizon en het ander beeld ervoor te plaatsen. De herhaling zorgt voor blijvend resultaat. Het ’negatieve’ beeld wordt bovendien een anker dat je automatisch ‘programmeert’ in de nieuwe richting.Het is erg effectief in het wijzigen van ongewenst gedrag in nieuw gedrag.

·  SYNESTHESIE (Engels: SYNAESTHESIA)

Het proces van overlap tussen twee representatiesystemen die gekarakteriseerd kunnen worden door de structuur van ‘zien-voelen’, waarbij een persoon het gevoel direct ontleent aan wat hij ziet of door de structuur van ‘horen-voelen’, waarbij de persoon het gevoel direct ontleent aan wat hij hoort. Het is een neurologische verbinding tussen twee representatiesystemen die gelijktijdig opereren.Bijvoorbeeld: je ziet (Ve) een muis en raakt in paniek (Ki). Een twee stap strategie(Ve->Ki) waarbij de persoon in kwestie zich vaak niet realiseert wat er gebeurt. 

·  SUCCES (VIJF GRONDBEGINSELEN VOOR SUCCES)

De vijf sleutels zijn:

1.      ken je uitkomst;

2.      onderneem actie;

3.      wees zintuiglijk scherpzinnig;

4.      wees flexibel in je gedrag;

5.      ga te werk vanuit een fysiologie en psychologie gericht op het bereiken van perfectie.  

 ( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


T

·  TIMELINE

De manier waarop wij beelden, geluiden en gevoelens opslaan in verleden, heden en toekomst.

·  TOEGANGSSIGNALEN (Zie Engels: ACCESSING CUES)

·  T.O.T.E

Dit model is ontwikkeld door Miller, Galanter en Pribram. Het model beschrijft een stuurkundige lus waarin een huidige situatie wordt vergeleken met een gewenste situatie net zolang tot de lus kan worden verlaten. De letters staan voor:

T TEST: “trigger” waarmee de strategie begint welke wordt gebruikt als norm voor de test;

O OPERATE: het herinneren, creëren of verzamelen van informatie over de interne en externe wereld die nodig is voor de strategie;

T TEST: een vergelijking in het zelfde representatie systeem met behulp van tijdens de eerste test opgestelde criteria;

E EXIT: “decission point” is een weergave van de resultaten van de test.

·  TRANCE

Een veranderde bewustzijnstoestand die wordt gekenmerkt door naar binnen gerichte concentratie en een beperkte externe aandacht. Met als doel het vergroten van het contact met onbewuste hulpbronnen. Verder zijn cliënten in trance beter ontvankelijk voor directe opdrachten (suggesties) met als doel effectieve resultaten.

·  TRANSDERIVATIONEEL ZOEKEN (Engels: TRANSDERIVATIONAL SEARCH)

Het zoekproces in iemands herinnering naar andere ervaringen waarvan het huidige gedrag van is afgeleid (derived).

·  TWEEDE POSITIE (Engels: SECOND POSITION)

Waarnemingspositie waarin je gedissocieerd van jezelf en geassocieerd met de ander Je beschouwt de interactie vanuit de ander.

·  TWEEDE WINST (Engels: SECONDARY GAIN)

Negatief of problematisch gedrag dat een positieve functie heeft op een ander niveau. Bijvoorbeeld: een roker die rookt omdat hem dat een houding geeft in gezelschap of dat hem helpt ontspannen. De ouder die met een ziekte een kind claimt voor verzorging.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


U

·  UPTIME

Toestand waarbij je aandacht volledig naar buiten is gericht. Je besteedt geen aandacht aan interne processen. Vergelijk ook “down time”.

·  UTILISEREN (Engels:UTILIZATION)

Een techniek waarbij een specifieke strategie of gedragspatroon wordt overgenomen met als doel de response van de ander te beïnvloeden. Bijvoorbeeld: Je doet een trance proces en ergens klinkt het geluid van een bel. Je zegt op dat moment .. en terwijl je het geluid van een bel hoort ... etc. Je utiliseert een extern patroon teneinde trance te bevorderen.  

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


V

·  VALUES (zie Waarden)

·  VERVORMING (Engels: DISTORTION)

Eén van de drie universele modelleringprincipes (weglating, generalisatie en vervorming) waarmee het wereldmodel wordt gevormd en instant gehouden. In het model dat wij van de wereld om ons heen maken zijn delen vervormd. Wij verbinden ons aan een interne voorstelling die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Delen uit de dieptestructuur zijn vervormd. Eén van de meest bekende vormen van vervorming is het weergeven van een proces door een gebeurtenis. In taal noemen wij dit een nominalisatie.

·  VISUEEL (Engels: VISUAL)

Betrekking hebbende op zien, kijken.

·  VISUALISEREN (Engels: VISUALIZATION)

Het zien van beelden.

·  VISUAL SQUASH

Een techniek waarbij twee interne delen (polariteiten van elkaar) onderhandelen met elkaar door het identificeren van de positieve intentie van ieder deel met als resultante het integreren van beide delen in één groter geheel.

VOORONDERSTELLING (Engels: PRESUPPOSITION)

Een serie aannames die noodzakelijk zijn om zin te geven aan de theorie. We weten niet zeker of ze waar zijn, wat we wel weten is dat ze werken wel. We gaan er dus vanuit. Het zijn dus eigelijk overtuigingen. Het integreren van de vooronderstellingen van NLP is een van de sleutels voor succes.

VOORONDERSTELLING VAN TAAL (Engels: PRESUPPOSITION)

Een zin die waar moet zijn, wil een andere zin betekenis kunnen hebben.

Bijvoorbeeld: Welke vragen heb je? Dit vooronderstelt dat er vragen zijn.  

VOORWAARDEN VOOR GOED ONTWIKKELDE UITKOMST/ DOEL  

Dit betreft een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden ten einde een effectieve en ecologische uitkomst te geven. In NLP wordt een doel getoetst aan de volgende vijf vormvoorwaarden:

1.      positief uitgedrukt;

2.      op eigen initiatief ondernomen en gehandhaafd door de persoon die het doel wenst;

3.      specifiek zintuiglijk waarneembare beschrijving van doestelling en de stappen die nodig zijn om daar te komenen en is het in de juiste context geplaatst;

4.      is de eerste stap gespecificeerd en haalbaar en geef de bewijsprocedure aan;

5.      is het doel ecologisch verantwoord en verruimd het de keuzemogelijkheden.  

 ( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


W

·  WAARDEN (Engels: VALUES)

Die dingen die wij belangrijk vinden. Waarden vormen de kinesthetische “push” achter onze daden. Waarden motiveren onze acties.  

·  WAARNEMINGSPOSITIES

Positie van waaruit je de interactie waaraan jezelf deelneemt beschouwt. De drie waarnemingsposities zijn:

1.      eerste positie beschouwt de interactie vanuit jezelf;

2.      tweede positie beschouwt de interactie vanuit de ander;

3.      derde positie is meta ten opzichte van de eerste twee en beschouwt wisselwerking in de interactie tussen jezelf en de ander.

·  WERELDMODEL (Engels: MODEL OF THE WORLD)

Iemands interne representatie van onderling samenhangende verwachtingen en overtuigingen waarmee de ervaringen worden geordend en een model van de wereld wordt gegeven.

·  WEGLATEN ZIE DELETIE

  WELL-FORMEDNESS CONDITIONS (zie Voorwaarden voor goed ontwikkelde uitkomst/doel)

 

X


Y


Z

·ZOEKSYSTEEM  Zie Leadsystem

( Klik op een letter ) A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z TOP


Back ] Next ] Home ] Feedback ] Inhoud ] Zoeken/Search ] 

Nieuws ] Individuele coaching ] Effectief Presenteren ] Toekomst Vormen ] Roos van Leary ] Stress en Ziekteverzuim ] MBTI ] Trainer/coach ] Communicatiemodel ] [ Begrippen NLP ] BoekenNLP ] Links ]


Send mail to info@metakonsult.nl with questions or comments about this web site.
Copyright © 2000 MetaKonsult Training en Coaching Verandering
Last modified: mei 03, 2001